Samenvatting rapport Gezondheidsraad: Oefentherapie
De Gezondheidsraad heeft een rapport uitgebracht over “Oefentherapie”. In het rapport heeft een commissie van de Gezondheidsraad beschikbaar wetenschappelijk onderzoek naar de effectiviteit van oefentherapie geïnventariseerd en geanalyseerd. De algemene conclusie luidt dat oefentherapie bewezen effectief is voor diverse aandoeningen.
Bij de beschrijving van oefentherapie worden in het rapport, naast oefentherapie binnen de fysiotherapie, ook oefentherapie Cesar en Mensendieck genoemd en beschreven. In de analyse zelf wordt echter om praktische redenen geen onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten oefentherapie. Wel staat in één van de tabellen (tabel 3.3) een overzicht welke behandelvormen (bijv. oefentherapie, massage, manuele therapie) binnen fysiotherapeutische en oefentherapeutische behandelingen worden toegepast. Uit deze tabel is maar één conclusie mogelijk: bij de oefentherapeut weet je wat je krijgt: oefentherapie!
Het rapport is te downloaden op de site van de Gezondheidsraad. (www.gezondheidsraad.nl)
"Oefentherapie bij lage rugpijn heeft resultaat"
Maurits van Tulder van het VU Medisch Centrum was initiatiefnemer van een internationale literatuurstudie waarbinnen het Institute for Work & Health in Toronto, Canada, het Erasmus MC in Rotterdam, het Finnish Office for Health Technology Assessment in Helsinki, Finland, en het VUMC samenwerkten. Begin mei werden de resultaten gepubliceerd in the Annals of Internal Medicine.
Lage rugpijn heeft een sterk invaliderend karakter. In Nederland kosten rugklachten ruim vier miljard euro per jaar aan ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. Studies laten ook zien dat lage rugpijn bij zeker 85% van de werkende populatie ten minste één keer voorkomt. Om de effectiviteit van oefentherapie te onderzoeken zijn 61 studies geanalyseerd. Daarin wordt oefentherapie vergeleken met de resultaten van patiënten die geen therapie of een andere therapie kregen aangeboden. Met name recente studies hebben aandacht voor het effect van therapie bij patiënten met chronische rugpijn. Uit deze studie blijkt dat deze patiënten voordeel hebben van oefentherapie.
Daarnaast werd een tweede literatuurstudie gedaan onder 43 onderzoeken die zich speciaal richten op oefentherapie bij patiënten met chronische rugpijn. Hierin werd de vraag beantwoord wat het effect is van therapie en meer specifieke interventies op het verminderen van pijn en verbetering van het functioneren van deze patiënten. Uit de analyse blijkt dat maatgerichte, individuele oefentherapie onder begeleiding van een oefentherapeut het meest effect heeft. Bij volwassenen met chronische klachten hebben met name rekoefeningen en spierversterkende oefeningen het beste resultaat.
Het is de eerste keer dat een dergelijke studie op deze schaal werd gedaan.
Van Tulder en zijn collega's tonen met deze literatuurstudies duidelijk het positieve effect aan van oefentherapie voor patiënten met chronische rugklachten.
Bron: VU Medisch Centrum
Kinderen ontwikkelen rugklachten vaak in de groeispurt;
juist dan oefentherapie geven helpt
Exercise reduces the intensity and prevalence of low back pain in
12-13 year old children: a randomised trial. The Australian Journal of
Physiotherapy 2009; 55(2): 97-104
Rugklachten bij kinderen komt frequent voor. Het is een sterke predictor
voor rugklachten op latere leeftijd. Daarom zouden rugklachten al in de
kinderleeftijd moeten worden aangepakt of liever voorkomen worden. Er is
onvoldoende evidentie voor de preventie van rugklachten bij kinderen. Jones
(2007) heeft onderzoek gedaan naar het voorkomen van terugkerende rugklachten
bij adolescenten, gemiddeld 14 jaar. Rugklachten beginnen vaak in de leeftijd van 12
tot 14 jaar en zijn gerelateerd aan de groeispurt, waarin de wervelkolom snel
groeit. Daarom zouden juist in die periode stabiliserende oefeningen voor de wervelkolom gegeven kunnen worden.
Doel van dit gerandomiseerde effectonderzoek is nagaan of een acht
weken durend oefenprogramma bij kinderen van 12 tot 13 jaar de intensiteit en
prevalentie van rugklachten vermindert en of oefentherapie effect heeft op
fysieke risicofactoren voor lage rugklachten.
Kinderen (n=280) uit groep 6 en 7 van twee lagere scholen in Zuid-Afrika
zijn uitgenodigd voor het onderzoek. Van de kinderen die mee wilden doen (n=99)
zijn de kinderen, met rugklachten in de voorafgaande drie maanden,
gerandomiseerd verdeeld over een interventiegroep (n=39) en een controlegroep
(n=33).
De interventiegroep kreeg onder schooltijd een keer per week een 45
tot 60 min durend programma met voorlichting en oefeningen van een
fysiotherapeut. Ook kreeg deze groep oefeningen voor thuis.
Door logistieke problemen is de groep in drieën gesplitst. De
controlegroep kreeg geen interventie.
Primaire uitkomstmaat:
• pijn: VAS 10 cm met aan het begin: 0, geen pijn, geen ongemak en een lachend gezicht en aan het eind: 10, ergste pijn die is voor te stellen, zeer veel ongemak en een triest gezicht.
Secondaire uitkomstmaten:
• prevalentie;
1. lumbale stabiliteit met de Active Straight Leg Raise Test (volgens Jull 1993);
2. neurale mobiliteit met de Passive Straight Leg Raise Test (Butler1991);
3. lengte van de hamstrings, m iliopsoas en m rectus femoris volgens Kendall (1993) en Bandy and Iron (1994);
4. lumbosacrale proprioceptie volgens Brumage 2000.
• welzijn met de Mental Health Inventory-5 (Rumpf 2001);
• vraag over hoe het kind de school ervaart met een face scale met 6
gezichten (Jordaan 2005);
• vraag over hoe het kind het leven ervaart met een face scale.
In iedere groep viel een kind af. De reden in de controle groep
was een verhuizing en in de interventiegroep een ernstig letsel aan de rug
buiten het programma om een week voor de zes maanden follow-up. De therapietrouw was goed, vijf kinderen (13%) misten
meer dan een keer de groepstraining, één kind deed nooit huiswerkoefeningen.
De pijnintensiteit in de voorafgaande maand was in de
interventiegroep 2.2 cm meer verminderd op drie maanden en 2.0 cm op zes maanden
vergeleken met de controlegroep.
Er was geen verschil in het huidige pijnniveau tussen de groepen
op drie en zes maanden.
De absolute risicoreductie voor drie maanden prevalentie van
rugklachten in de interventiegroep was 24% (95% BI 4-41) vergeleken met de
controlegroep op drie maanden en 40% (95% BI 18-57) op zes maanden.
Voor fysieke risicofactoren was er een significant verschil in
lengte van de hamstrings en m iliopsoas en in neurale mobiliteit in het voordeel
van de interventiegroep vergeleken met de controlegroep.
Uit de aanvangsmetingen blijkt dat er bij deze groep kinderen met rugklachten
al een links/rechts verschil is in de lengte van spieren en in neurale
mobiliteit.
Oefentherapie is effectief in het reduceren van de intensiteit van
de pijn en de prevalentie van lage rugklachten bij kinderen.
Sylvia P. van den Heuvel
vakreferent,
fysiotherapeut